26/04/2018

Update behandelmogelijkheden SMA

Laatste update: april 2018

We krijgen bij het SMA Expertisecentrum veel vragen over behandeling met medicijnen. Wat is er nu al mogelijk? Wat zijn de verwachtingen voor de toekomst? We vatten de mogelijkheden van behandeling van SMA hier kort voor u samen en voorzien dit bericht frequent van updates.
Voor aanvullende, betrouwbare informatie verwijzen we u graag naar:

Achtergrondinformatie

Wat is SMA?
De afkorting SMA wordt voor meer dan één ziekte gebruikt. Dit leidt wel eens tot verwarring. We hebben het hier alleen over behandelingsmogelijkheden voor erfelijke proximale SMA, een spierziekte die meestal op de baby- of kinderleeftijd begint en wordt veroorzaakt door het ontbreken van het SMN1 gen in het erfelijk materiaal. De informatie die u hier vindt gaat dus niet over andere vormen van SMA, zoals distale SMA, de ziekte van Kennedy, of SMA met respiratory distress (SMARD).
Meer informatie en uitleg over SMA is te vinden op onze website, bijvoorbeeld op deze pagina.

Wat is de oorzaak van SMA?
Uitgebreide informatie over de oorzaak van SMA vindt u hier. Samenvattend is SMA is een ziekte van de motorische zenuwcellen. Dit zijn cellen die met een lange uitloper het ruggenmerg met de spieren verbinden. Als deze cellen niet goed functioneren komen signalen die de spieren moeten aansturen niet goed aan. Dit leidt tot spierzwakte. De oorzaak van het niet goed functioneren van deze zenuwcellen is een tekort aan SMN eiwit. Dit eiwit wordt vooral gemaakt door het SMN1 gen, een stukje erfelijk materiaal dat bij SMA ontbreekt. Mensen hebben een tweede SMN gen (SMN2) dat een beetje SMN eiwit maakt. In het algemeen geldt dat mensen met SMA type 3 meer SMN2 genen hebben dan mensen met SMA type 1. De aanwezigheid van een groter aantal SMN2 genen betekent dat er ook wat meer SMN eiwit kan worden aangemaakt.
Informatie over de verschillende typen SMA vindt u hier.

De behandeling van SMA met Spinraza

Is er een behandeling mogelijk bij SMA?
Spinraza is het eerste middel dat voor de behandeling van SMA is goedgekeurd. Dit medicijn moet via een ruggenprik worden toegediend in een frequentie van eens per 4 maanden na een intensievere behandeling in de eerste 2 maanden.
Er is in Nederland echter nog geen vergoedingsregeling: de prijs van Spinraza is hoog en voor dure medicijnen bestaat een procedure waarbij door het Zorginstituut Nederland (ZINL) gekeken wordt naar de kosteneffectiviteit (de zogenaamde sluisprocedure). ZINL heeft begin dit jaar de bevindingen aan de minister gerapporteerd en over de prijs wordt op dit moment (april 2018) door het ministerie van VWS met fabrikant Biogen onderhandeld.
In Nederland is behandeling van SMA in beperkte mate wel mogelijk. Er is namelijk een tweetal regelingen getroffen om de tijd tot de vergoedingsregeling te overbruggen:

  • De eerste regeling is het Expanded Access Programma (EAP) voor kinderen met SMA type 1. Biogen stelt Spinraza beschikbaar voor de behandeling van kinderen met SMA type 1. Kinderen kunnen tot de vergoedingsregeling tot stand is gekomen worden behandeld. De behandeling is vooralsnog alleen mogelijk in het UMC Utrecht.
  • Eind 2017 is door het ministerie van VWS en Biogen een tweede regeling getroffen voor een groep kinderen met SMA types 2-3 met een grote behandelbehoefte. Deze regeling is ‘tussenoplossing’ genoemd (d.w.z. een oplossing tot er vergoeding is voor Spinraza). Behandeling met Spinraza moet door herhaalde ruggenprikken (onder narcose) plaatsvinden. Voor behandeling is een korte opname in het UMC Utrecht nodig. Hierover plaatsten we eerder reeds dit nieuwsbericht.

Kunnen alle kinderen meteen met de behandeling starten?
We willen het liefst bij alle kinderen meteen starten met de behandeling. Allemaal tegelijk kan helaas niet: we hebben te maken met kwetsbare kinderen en een intensieve behandeling. Elke behandeling wordt door middel van een ruggenprik onder narcose gegeven en een korte ziekenhuisopname is noodzakelijk. We plannen alle kinderen van de tussenoplossing zo snel als mogelijk in, de eerste injectie wordt in ieder geval voor 1 mei gegeven, tot die datum geldt de tussenoplossing.

Hoe wordt de volgorde bepaald?
Het UMC Utrecht heeft voor het bepalen van de volgorde een protocol opgesteld. Dit protocol gaat uit van twee belangrijke factoren: de ziekteduur en de ernst, en achteruitgang. Uit onderzoek naar de effectiviteit van Spinraza is namelijk gebleken dat kinderen met een kortere ziekteduur beter op behandeling reageren.

Wie bepaalt de volgorde van de behandeling?
Het behandelteam bepaalt de volgorde van behandeling niet. Een onafhankelijke indicatiecommissie, die bestaat uit kinderartsen en een medisch ethicus die niet bij behandeling betrokken zijn, bepalen aan de hand van het protocol de volgorde van behandeling. Het gaat niet voor niets om een tussenoplossing. We hopen dat er snel duidelijkheid zal komen hoe de vergoedingsregeling er uit zal zien en dat daarmee duidelijk wordt wie er voor behandeling in aanmerking komt.

Andere medicijnen voor de behandeling van SMA

Welke medicijnen zijn en worden er nog meer voor SMA ontwikkeld?
Op onze website houden we een acuteel, uitgebreid overzicht bij van de verschillende medicijnen die worden ontwikkeld voor SMA. Betrouwbare informatie is te vinden via deze pagina en de verschillende subpagina’s over de verschillende typen medicijnen in ontwikkeling. Daarnaast is een recent overzicht van medicijnen die voor de behandeling van SMA zijn of worden ontwikkeld, te vinden op de Engelstalige website van Cure SMA.
Het grootste deel van deze medicijnen is ontwikkeld om de hoeveelheid SMN eiwit op te hogen, een kleiner deel om de gevolgen van het SMN tekort op te vangen. De manier waarop de verschillende medicijnen werken is vaak erg verschillend.

  • Virale Gentherapie
    Deze vorm van therapie richt zich op het SMN1 gen. Met behulp van een virus wordt het niet meer werkende SMN1 gen vervangen door een werkend SMN1 gen. Zo zijn de cellen in het lichaam na behandeling weer in staat SMN eiwit te maken. De eerste resultaten over veiligheid en effect bij de behandeling van een kleine groep kinderen met SMA type 1, zijn vorig jaar bekend geworden. Zie hiervoor het eerdere persbericht op onze website. Later dit jaar start onderzoek dat de effectiviteit en veiligheid definitief moet aantonen (fase 3 onderzoek).
    Het UMC Utrecht is geselecteerd als een van de onderzoekscentra voor deze vorm van gentherapie bij kinderen met SMA type 1 en voor kinderen bij wie voor de geboorte de diagnose is gesteld maar die nog geen symptomen hebben (de zogenaamde ‘presymptomatische behandeling’). Voordat dit onderzoek van start kan gaan moet er toestemming komen van de Medisch Ethische Toetsingscommissie (METC). Het onderzoek zal daarom pas in de tweede helft van 2018 van start gaan. Algemene informatie over dit onderzoek is te vinden via deze website.
  • Antisense Oligonucleotiden
    Ook wel ‘ASO’s’ genoemd. Deze vorm van therapie richt zich op het SMN2 gen en zorgt ervoor dat SMN2 efficiënter gaat werken om zo meer SMN eiwit te maken in de cellen van het lichaam.Spinraza is een voorbeeld van een ASO.
  • Small Molecules
    Ook wel ‘kleine moleculen’ genoemd. De precieze werking van de ‘small molecules’ is niet bekend, maar het zijn stoffen die ervoor zorgen dat in de cellen van het lichaam meer SMN eiwit wordt gemaakt. Voorbeelden zijn Branaplam (producent: Novartis) en RO7034067 (producent: Roche). Beide middelen zijn pillen die het SMN eiwit kunnen ophogen, door het SMN2 gen te stimuleren. Over veiligheid en effectiviteit van deze middelen is echter nog niet alles bekend en dat wordt op dit moment dam ook verder onderzocht (zie de website Clinicaltrials.gov voor meer details).

  • Andere medicijnen en ondersteunende therapie
    Er zijn verschillende soorten andere medicijnen en therapieën die worden onderzocht, die niet de SMN eiwit productie proberen te verhogen, maar op andere manieren mensen met SMA proberen te ondersteunen. Dit zijn bijvoorbeeld medicijnen waardoor zenuwen langer overleven of minder gevoelig worden voor het tekort aan SMN eiwit, of medicatie die vermoeidheid kan verminderen of spierkracht kan vergroten. Een bekend voorbeeld van een van deze middelen is Olesoxime, dat als drankje moet worden ingenomen. Olesoxime heeft mogelijk een gunstig effect op het beloop van SMA, maar het middel moet nog verder worden onderzocht. Momenteel wordt in het SMA Expertisecentrum in het UMC Utrecht onderzoek gedaan naar Olesoxime, zie hiervoor deze pagina op onze website.

Behandeling en geneesmiddelen onderzoek in Nederland in 2018

Behandeling met Spinraza
Voor SMA type 1: behandeling met Spinraza in het UMC Utrecht. Geen einddatum.
Voor SMA type 2-3: tussenoplossing voor jonge kinderen (tot ongeveer 6 jaar) tot 1 mei 2018. We hebben het belang van verlenging van de tussenoplossing tot de vergoedingsregeling van kracht wordt bij VWS benadrukt.

Experimentele behandelingen:
Het betreft hier experimentele middelen waarvan veiligheid en effectiviteit nog wordt onderzocht. Vaak (maar niet altijd) betekent dit dat er ook sprake is van een ‘placebo’ groep:

  • Olesoxime
    Behandeling van kinderen en jong volwassenen die in 2011-2013 hebben meegedaan aan onderzoek. Voorlopig geen nieuwe behandelingsmogelijkheid.
  • Branaplam/LMI070 (pillen)
    Nieuws over dit onderzoek wordt later dit jaar verwacht.
  • RO7034067 (pillen):
    In Nederland zijn er geen mogelijkheden tot deelname aan dit onderzoek. Deze zijn er wel in België.
  • Virale Gentherapie
    Het UMC Utrecht is geselecteerd als een van de onderzoekscentra voor deze vorm van gentherapie bij kinderen met SMA type 1 en voor kinderen bij wie voor de geboorte de diagnose is gesteld, maar die nog geen symptomen hebben (de zogenaamde ‘presymptomatische behandeling’). Voordat dit onderzoek van start kan gaan moet er toestemming komen van de Medisch Ethische Toetsingscommissie (METC). Het onderzoek zal daarom pas in de tweede helft van 2018 van start gaan. Algemene informatie over dit onderzoek is te vinden via deze website, meer informatie op onze website volgt later dit jaar.